De jacht was een van de populairste hobby’s van de adel. De jacht met valken was weer een van de populairste manieren om te jagen. Die populariteit valt mogelijk te verklaren doordat vrouwen ook konden jagen met valken.
Met de valken werden vooral andere vogels bejaagd. Reigers en kraanvogels golden als de meest prestigieuze prooien. Er werd ook gejaagd op eenden, patrijzen, fazanten, lijsters en leeuweriken. En op klein wild zoals konijnen en hazen. De jacht werd niet alleen met valken gedaan, maar ook haviken en sperwers werden hiervoor getraind. De meeste edellieden bezaten meerdere vogels om op zoveel mogelijk prooien te kunnen jagen.
Het trainen en verzorgen van de vogels werd gedaan door een valkenier. Als een jachtvogel werd losgelaten dan werd deze weer teruggelokt met een loer. Dit is een paar aan elkaar gebonden nep-vleugels waarop wat vlees kon worden gebonden. De valkenier draaide het rond aan een stuk touw. De valk stort zich op de loer die op het laatste moment werd teruggetrokken. Vandaar de uitdrukking ‘iemand een loer draaien.’